Houden journalisten zich aan de regels?

'Vermijd te lange zinnen', 'Zet de kern voorop'- iedereen kent wel dit soort schrijfadviezen. Maar zijn het ook goede adviezen? Worden ze opgevolgd? Passen bijvoorbeeld journalisten ze toe als ze persberichten van instellingen omwerken tot krantenstukken? Aan de Utrechtse universiteit is het uitgezicht.

Door Frank Jansen, Universiteit Utrecht

Houden journalisten zich aan de regels?
De rol van schrijfadviezen bij het bewerken van persberichten.

De meeste zinnen die u schrijft, zijn natuurlijk onberispelijk, maar af en toe zit er eentje tussen die verbetering behoeft. Zo'n exemplaar knapt u het snelst op door een website op internet over duidelijk schrijven op te zoeken en de adviezen die u daar vindt op te volgen.

Als die adviezen kloppen, verwacht je dat ook journalisten zich er iets van aantrekken, bijvoorbeeld als ze een aangeleverde tekst bewerken - zij zijn immers bij uitstek professionele taalgebruikers.

Maar houden journalisten zich aan die tips? Daarnaar deed ik het afgelopen jaar onderzoek met negentien studenten van de masteropleiding communicatiekunde.

Allereerst gingen we na wat die schrijfadviezen zoal inhouden. Ze zijn er, zo blijkt, te kust en te keur, en in soorten en maten. Een beknopte staalkaart is te vinden op een website die secretaressen helpt, Managementsupport.nl. Daarop vinden we "8 tips voor een goede zinsbouw." De tekst gaat als volgt verder: Hoe zorg je voor een prettig leesbare tekst met goedlopende zinnen? Lees het hier.

- Zet de kern voorop.
- Schrijf complete zinnen.
- Vermijd te lange zinnen.
- Schrijf actief.
- Zet bij elkaar wat bij elkaar hoort.
- Vermijd voorzetseluitdrukkingen.
- Laat werkwoorden werken.
- Vermijd onnodige hulpwerkwoorden.

Wie verder zoekt naar zinsbouwadviezen, zal merken dat de lijstjes met tips sterk op elkaar lijken. Dat zou je kunnen opvatten als een bewijs dat het om goede adviezen gaat. Als verschillende tipgevers onafhankelijk van elkaar nagaan wat een zin begrijpelijk en een tekst aantrekkelijk maakt, en ze komen allemaal op hetzelfde uit, dan moeten die adviezen wel gefundeerd zijn. Maar het is ook mogelijk dat de adviseurs vooral bij elkaar te rade gaan. Dan blijft de vraag: zijn die adviezen wel goed?

Moeilijke vraag. Het hangt er maar van af wat we onder 'goed' verstaan. Bedoelen we 'theoretisch gefundeerd'? Dan moeten we nagaan of het advies voortvloeit uit een algemeen aanvaarde theorie over lezen en begrijpen. Bedoelen we eerder 'effectief'? Dan moeten we testen of lezers beter uit de voeten kunnen met een tekst waarin het advies opgevolgd is dan met eentje waarin het advies voortdurend doorkruist wordt. Beide soorten van onderzoek zijn overigens niet zo gemakkelijk uitvoerbaar als hier gesuggereerd wordt. Daarvoor zijn er te grote verschillen tussen soorten teksten, typen lezers en leesomstandigheden. En daardoor is het op voorhand onwaarschijnlijk dat een advies op alle gevallen kan slaan.

Ingrepen
En dan is er nog een derde criterium voor de kwaliteit van een advies: is het in overeenstemming met de praktijk van professionele taalgebruikers? Daarmee zijn we terug bij de journalisten van hierboven. Zij ontvangen geregeld persberichten van bedrijven en organisaties, die ze vervolgens bewerken tot een stuk in de krant. Blijkt uit de ingrepen die ze doen dat ze rekening houden met zo'n schrijfadvies? Als dat inderdaad het geval is, dan kan dat wijzen op het opvolgen van een advies, maar dat hoeft natuurlijk niet. De journalist kan er ook op eigen kracht toe gekomen zijn om de ingreep te verrichten. Daarom is een wijziging die in overeenstemming is met een advies alleen maar een aanwijzing dat het advies voor hem relevant is.

Welbeschouwd geeft een ingreep die tegen het advies ingaat, meer houvast. Dan zijn er namelijk drie mogelijkheden. De journalist kent het advies niet, hij erkent het niet omdat het niet strookt met zijn eigen taalgevoel, of hij erkent het advies wel maar volgt het niet omdat andere motieven zwaarder wegen. Alle drie deze mogelijkheden leiden tot één conclusie: het advies is ondeugdelijk of in ieder geval irrelevant, of het is op zichzelf wel een goed advies, maar uitvoering vergt extra (te veel) moeite.

Naamwoordstijl
Verder nu met de praktijk. We gingen van negentien adviezen na of die hun sporen hadden nagelaten in de stukken van journalisten. We beperken ons er hier tot drie. Allereerst die over de naamwoordstijl. De tip "Laat werkwoorden werken" wordt op Managmentsupport.nl als volgt toegelicht:

Schrijf niet:
De uitvoering van het onderzoek is in handen van de afdeling.

Schrijf wel:
De afdeling voert het onderzoek uit.

In de tweede zin maakt de schrijver gebruik van het werkwoord uitvoeren. In de eerste is dat werkwoord omgevormd tot het zelfstandig naamwoord uitvoering, terwijl het tamelijk 'lege' is de werkwoordelijke honneurs waarneemt.

Wat doen de journalisten? Om die vraag te beantwoorden gingen we als volgt te werk. Eerst verzamelden we op websites van grote bedrijven en organisaties persberichten. Vervolgens zochten we in de digitale krantenbank Lexis/Nexis naar krantenberichten die op deze persberichten gebaseerd waren. Daarin speurden we naar overeenkomstige maar niet identieke zinnen in het persbericht en het krantenbericht.

Vervolgens selecteerden we de eerste honderd zinsparen met een geval van naamwoordstijl in het persbericht óf in het krantenbericht, maar niet in allebei. Dan blijkt het in 75 van die 100 paren te gaan om naamwoordstijl in het persbericht, die vervolgens in het krantenbericht onschadelijk wordt gemaakt. Dat herschrijven gebeurt meestal door de woordgroep met het naamwoord uit te schrijven tot een hele zin. Dat uitschrijven heeft overigens wel tot gevolg dat de zinnen langer worden: de gemiddelde zinslengte stijgt erdoor van bijna zeven woorden naar meer dan twaalf, wat eigenlijk nog steeds heel laag is.

Tegenover deze 75 adviesopvolgingen stonden slechts 25 paren waarin van een werkwoord in het persbericht een naamwoord wordt gemaakt. Kortom, er zijn drie keer zo veel regelopvolgingen als doorkruisingen. Volgens de statistiek is het vrijwel uitgesloten dat zo'n verhouding op toeval berust. We mogen dus met een gerust hart aannemen dat journalisten de naamwoordstijl vaak proberen te vermijden.

Schrap bijzinnen
Een andere tip uit het lijstje aan het begin luidt: "Vermijd te lange zinnen." Dat kun je op verschillende manieren doen. Door simpelweg lange zinnen in twee of drie kortere zinnen te hakken, bijvoorbeeld. Maar je kunt zinnen ook korter maken door de bijzinnen eruit te halen. Dat heeft ook een bijkomend voordeel: bijzinnen zijn volgens de taaltipgevers erkende moeilijkmakers. Zo luiden de eerste twee schrijftips van Scholieren.com: "Formuleer korte zinnen. Gebruik in principe niet meer dan zo'n dertien woorden per zin" en "Gebruik zoveel mogelijk hoofdzinnen. In een hoofdzin staat het onderwerp naast de persoonsvorm. Zulke zinnen lezen makkelijk. In bijzinnen staat de persoonsvorm meestal achteraan in de zin. Lezers (en schrijvers) raken eerder de kluts kwijt."

Om te weten te komen of journalisten handelen in de geest van het scholierenadvies onderzochten we weer honderd zinnenparen, nu met een bijzin in het persbericht óf in het krantenbericht. Dan blijken de journalisten 54 keer een bijzin op te ruimen die in het persbericht stond. Daar staat echter tegenover dat ze 46 keer een bijzin uit eigen koker aan een hoofdzin toevoegen. Betekent dat iets? De statistiek is onverbiddelijk: nee, het verschil tussen 54 en 46 moeten we aan het toeval toeschrijven. Journalisten bekommeren zich duidelijk niet om de regel bijzinnen te vermijden.

Hoe komt dat? Ik vermoed dat de bewerkende journalisten het advies misschien wel zouden willen toepassen, maar het niet kunnen. Dat zou dan kunnen komen doordat ze iets in hun hoofd hebben dat ze nog belangrijker vinden, en dat is: de tekst indikken en strakker maken. Een voorbeeld ontleen ik aan een persbericht waarin de volgende zinnen staan:

1. (a) De samenwerking is onderdeel van een Europees project. (b) De totale waarde bedraagt ongeveer 50 miljoen Euro waarvan zo'n 14 miljoen euro in de Nederlandse economie en gezondheidszorg wordt geïnvesteerd door de overheid en het consortium. (d) Het project heeft een looptijd van drie jaar.

Daar maakt een journalist van:

2. (a) De samenwerking is onderdeel van een Europees project (b) dat een looptijd heeft van drie jaar en (c) een waarde heeft van 50 miljoen euro. (d) Daarvan wordt het grootste deel (35 miljoen) geïnvesteerd in de Nederlandse gezondheidzorg.

In 1 staat één bijzin, namelijk (c). Die keert in 2 opgehoogd terug als de hoofdzin (d). Dat kon blijkbaar, want de tekst werd er niet langer van. Maar bij (b) en (d) in 1 moest de journalist kiezen tussen 'geen bijzin' en 'kort', en dan wint blijkens 2 (b en c) kort. Want we zien dat hij niet alleen twee keer een hoofdzin tot bijzin degradeert, maar er zelfs niet voor terugschrikt ze tot één ingewikkelde bijzin te verbinden.

Lange aanloop
Terug naar het lijstje aan het begin. Als allereerste tip vinden we daar: "Zet de kern voorop". Met als uitleg:
En voorkom een lange aanloop.

Dus niet:
Als gevolg van werkzaamheden die we uitvoeren aan de website van ons bedrijf, zal onze site van 12.00 tot 13.00 uur niet bereikbaar zijn.

Maar wel:
U kunt onze website van 12.00 tot 13.00 uur niet bekijken, omdat we op dat moment werkzaamheden aan de site uitvoeren.

Behandelen journalisten lange aanlopen net zo? Dat onderzochten we door zinnenparen te vergelijken met een lange aanloop in de persbericht- of de krantenberichtversie, waarbij we - om genoeg materiaal te kunnen vinden - een beperkte maatstaf voor 'lang' hanteerden, namelijk vier of meer woorden. Dan blijken de journalisten in 52 gevallen een lange aanloop te vervangen door het onderwerp. Maar in 48 gevallen vervangen ze een onderwerp op de eerste plaats door een lange aanloop. Ook dit resultaat wijst niet op regeltoepassing maar puur op toeval.

Er is nog iets geks. Als je de gemiddelde lengte van de aanlopen die uit de persberichten verdwijnen, vergelijkt met de lengte van de aanlopen die er in de krantenberichten bij komen, dan zijn de laatste, de nieuwe aanlopen dus, duidelijk langer. Het kan dus niet anders of de lange aanloop heeft juist voor journalisten iets aantrekkelijks.

Misschien wordt het negatieve resultaat in dit geval veroorzaakt door het selectiecriterium van minimaal vier woorden. Maar er is een alternatieve verklaring, en die luidt dat de lengte van de aanloop minder belangrijk is dan de kwaliteit ervan. Een goede aanloop zet de lezer op het spoor van de inhoud van de rest van de bewering. Bij een minder goede is er weinig verband tussen de inhoud van de aanloop en de rest van de zin. In de volgende zin uit een persbericht staat een lange aanloop, namelijk: "Volgens (...) overheid":

Volgens de voorwaarden van de overeenkomst tussen Aegon en de Nederlandse overheid bedraagt de premie voor vervroegde terugbetaling maximaal 13%, afhankelijk van de naar volume gewogen gemiddelde koers voor Aegon aandelen gedurende de vijf handelsdagen tussen 23 en 27 november.

Die aanloop bereidt de lezer inhoudelijk nauwelijks voor op het vervolg: "bedraagt (...) november."We zien de journalist deze aanloop schrappen:

De premie van maximaal 130 miljoen euro voor vroegtijdig terugbetalen is afhankelijk van de aandelenkoers van Aegon tussen 23 en 27 november.

In het volgende zinnenpaar zien we de journalist een lang zinsdeel dat in het persbericht achteraan in de zin stond, tot een lange aanloop promoveren:

De gemiddelde manager slaapt met zes en een kwart uur ongeveer 20% minder dan het aanbevolen gemiddelde van acht uur per nacht.

Terwijl we circa acht uur slaap per nacht nodig hebben, komt een manager niet verder dan zes uur en een kwart.

De aanloop in de tweede zin bereidt de lezer voor op een contrast. Zo is het voor hem makkelijker om de bewering over het slaapgedrag van de manager te kunnen interpreteren. In andere gevallen vormt de toegevoegde aanloop een brug met de vorige zin.

Irrelevant of onschadelijk?
Twee van de drie hier behandelde adviezen blijken geen weerklank te vinden in de journalistieke praktijk. Dat is bij de meeste andere adviezen die ik samen met de studenten onderzocht ook zo. De vraag is nu wat voor conclusie we daaraan moeten verbinden. Een optimistische conclusie zou kunnen luiden dat dit onderzoek bewijst dat voor een goede stijl simpele vuistregels blijkbaar niet volstaan. En dat betekent dan misschien dat we moeten aannemen dat de persberichtenschrijvers deze vuistregels wél gehanteerd hadden en de journalisten niet, bijvoorbeeld omdat die te rade zijn gegaan bij Jan Renkema´s Schrijfwijzer of het Handboek stijl van Peter Burger of Jaap de Jong, waarin subtielere adviezen worden gegeven.

Een somberder conclusie kan zijn dat journalisten zich weinig aantrekken van schrijfadviezen. Of, nog zwarter, dat er adviezen uitgevaardigd worden waar deskundige praktijkmensen zich niets van aantrekken.

Maar laat ik in majeur eindigen: echt schadelijk zijn adviezen uit lijstjes zoals die van Managementsupport.nl niet. In het beste geval, zoals bij het advies over naamwoordstijl, leiden ze tot een betere tekst. In het slechtste geval doen ze maar weinig kwaad (zoals bij de lange aanloop). Maar in de meeste gevallen zijn de adviezen vooral irrelevant: hun stem klinkt te zacht te midden van het koor van andere belangen en strevingen waaraan de (her)schrijver blootstaat.

Bron: Onze Taal, 2010 -10

Terug naar het overzicht